Vraag
Is de ta‘awwudh en basmalah (toevlucht zoeken bij Allah tegen de Shaytaan en bismillah zeggen) onderdeel van de openingsdu‘aa’? Als iemand achter de imam bidt, moet hij ze dan zachtjes zeggen? Moet hij de bismillah in elke raka‘ah zachtjes herhalen als hij achter de imam bidt?Antwoord
De isti‘aadhah en basmalah maken geen deel uit van de openingsdu‘aa’ die is overgeleverd van de Profeet ﷺ, hoewel zij wel behoren tot wat aan het begin van het gebed gereciteerd dient te worden. ‘Aa’ishah (moge Allah tevreden met haar zijn) zei: De Boodschapper van Allah ﷺ placht zijn gebed te openen met takbīr (Allāhu akbar).
(Overgeleverd door Muslim, nr. 498)
Wat betreft het uitspreken van de isti‘aadhah en basmalah in de tweede raka‘ah: de geleerden verschillen hierover van mening. De basmalah dient in elke raka‘ah gereciteerd te worden bij het reciteren van al-Fātiḥah, maar zij dient niet hardop gereciteerd te worden, omdat er verschil van mening is over de vraag of zij deel uitmaakt van al-Fātiḥah of niet. De geleerden die zeggen dat zij geen deel uitmaakt van al-Fātiḥah, bevelen aan dat zij vóór al-Fātiḥah in elke raka‘ah gereciteerd wordt.
Om aan de veilige kant te blijven, dient de biddende de basmalah in elke raka‘ah zachtjes te reciteren.
Wat betreft de isti‘aadhah: hierover is er geen verschil van mening onder de geleerden; allen zeggen dat zij geen deel uitmaakt van Soerat al-Fātiḥah. Maar er is wel discussie onder hen over het vers (interpretatie van de betekenis): “Wanneer jij de Koran wilt reciteren, zoek dan toevlucht bij Allah” [an-Naḥl 16:98].
Degenen die het vers letterlijk nemen, zeggen dat de isti‘aadhah in elke raka‘ah gereciteerd moet worden, vóór het reciteren van al-Fātiḥah en de basmalah. Dit is de mening van de Shāfi‘iyyah en is volgens hen de meest correcte mening.
(Al-Majmū‘, 3/323). Al-Ḥasan al-Baṣrī, ‘Aṭā’ en Ibrāhīm an-Nakha‘ī adviseerden ook ta‘awwudh in elke raka‘ah.
Ibn Ḥazm (moge Allah hem genadig zijn) gaf de voorkeur aan deze mening. Ook is overgeleverd dat Imām Muḥammad ibn ‘Abd al-Wahhāb (moge Allah hem genadig zijn) dit vermeldde in Ādāb al-Mashy ilā aṣ-Ṣalāh. Deze mening werd eveneens verkozen door Shaykh al-Islām Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn)
(al-Inṣāf 2/74), die in al-Ikhtiyārāt zei: Ta‘awwudh is aanbevolen aan het begin van elke recitatie. (p. 50). Dit is ook de mening van al-‘Allāmah al-Albānī.
Sommige geleerden zeggen dat het alleen aan het begin van de eerste raka‘ah gereciteerd wordt en niet herhaald hoeft te worden in de andere raka‘āt. Dit is de mening van de Ḥanbali’s
(al-Inṣāf, 2/73). Al-Shawkānī meende dat de juiste mening was dat het alleen in de eerste raka‘ah gereciteerd wordt. (Nayl al-Awṭār, 3/39, 139-140).
De Profeet ﷺ placht toevlucht bij Allah te zoeken wanneer hij bad. Hij zei: A‘ūdhu billāhi min ash-shayṭān ir-rajīm min hamzihi wa nafkhihi wa nafathih (Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte Shayṭān, tegen zijn kwade influisteringen).
(Overgeleverd door Abū Dāwūd). Soms breidde hij dit uit en zei: A‘ūdhu billāhi as-samī‘ il-‘alīm min ash-shayṭān ir-rajīm min hamzihi wa nafkhihi wa nafathih (Ik zoek toevlucht bij Allah, de Alhorende, de Alwetende, tegen de vervloekte Shayṭān, tegen zijn kwade influisteringen). (Overgeleverd door Abū Dāwūd en at-Tirmidhī). En Allah weet het het beste.
Vertaling Informatie: dit artikel is vertaald met de meest nauwkeurige AI (GPT-5.2). Voor uiterste precisie en religieuze verificatie, refereer altijd naar de originele bron.
Bekijk origineel op IslamQA.info →