Du’a’s (smeekbeden) in tijden van benauwdheid

Vraag

Wat zegt iemand wanneer hij in tijden van benauwdheid verkeert?

Antwoord

Imam Ahmad verhaalde van ‘Abdullah ibn Mas‘ood, moge Allah tevreden met hem zijn: “De Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Er is geen dienaar die, wanneer hij getroffen wordt door angst en verdriet, zegt: O Allah, ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw mannelijke dienaar en Uw vrouwelijke dienares. Mijn voorhoofd is in Uw hand (d.w.z. U hebt volledige macht over mij), Uw bevel over mij wordt altijd uitgevoerd, en Uw beschikking over mij is rechtvaardig. Ik vraag U met elke Naam die U toebehoort, waarmee U Zichzelf hebt genoemd, of die U in Uw Boek hebt geopenbaard, of die U aan iemand van Uw schepping hebt geleerd, of die U hebt bewaard in de kennis van het Ongeziene bij U, dat U de Koran het leven van mijn hart maakt en het licht van mijn borst, en een verdrijving van mijn verdriet en een verlichting van mijn benauwdheid’ — of Allah zal zijn verdriet wegnemen en zijn droefheid vervangen door vreugde.” De mensen zeiden: “O Boodschapper van Allah, wij zouden deze woorden moeten leren.” Hij zei: “Wie ze hoort, behoort ze te leren.”

Ibn ‘Abbas verhaalde dat de Boodschapper van Allah ﷺ in tijden van benauwdheid placht te zeggen: “Er is geen god dan Allah, de Almachtige, de Zachtmoedige; er is geen god dan Allah, Heer van de Machtige Troon; er is geen god dan Allah, de Heer van de hemel, de Heer van de aarde en de Heer van de Edele Troon.” (overgeleverd door al-Boekhaari, moge Allah hem genadig zijn, nr. 5870).

De Profeet ﷺ zei: “De smeekbede van degene die getroffen is door benauwdheid is: ‘O Allah, het is Uw barmhartigheid waarop ik hoop, laat mij daarom niet over aan mijzelf, zelfs niet voor een oogwenk, en maak al mijn zaken voor mij goed. Niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve U.’” (overgeleverd door Imam Ahmad in al-Musnad, en Aboe Dawood in al-Sunan, Kitaab al-Adab, Baab maa yaqool idhaa asbaha; zie ook Saheeh al-Jaami‘, 3388).

Asmaa’ bint ‘Umays zei: “De Boodschapper van Allah ﷺ zei tegen mij: ‘Zal ik jou niet enkele woorden leren om te zeggen in tijden van benauwdheid? “O Allah, U bent mijn Heer en ik ken U niets als deelgenoot toe.”’” (overgeleverd door Aboe Dawood in al-Sunan, Kitaab al-salaat, Baab fi’l-istighfaar; zie ook Saheeh al-Jaami‘, nr. 2623).

De Profeet ﷺ zei tegen zijn metgezellen: “Zal ik jullie niet enkele woorden vertellen die, als benauwdheid of verdriet één van jullie treft en hij deze du’a (smeekbede) verricht, hem vreugde zullen brengen? Het is de du’a van Dhoo’l-Noon (d.w.z. Yunus/Jona): ‘Er is geen god dan U, Glorie zij U; voorwaar, ik behoorde tot de onrechtplegers.’” (Saheeh al-Jaami‘, nr. 2605).

Anas ibn Maalik zei: “Wanneer iets hem benauwde, placht de Profeet ﷺ te zeggen: ‘O Levende, O Zelfbestaande, door Uw barmhartigheid zoek ik hulp.’” (overgeleverd door al-Tirmidhi, nr. 3446).

Je dient deze du’a’s te reciteren; moge Allah jou daardoor voordeel schenken en jouw verdriet vervangen door vreugde. Moge Allah onze Profeet Mohammed zegenen.

Vertaling Informatie: dit artikel is vertaald met de meest nauwkeurige AI (GPT-5.2). Voor uiterste precisie en religieuze verificatie, refereer altijd naar de originele bron.

Bekijk origineel op IslamQA.info →

Was dit artikel nuttig?

Gerelateerde Artikelen